Van wie is de taal?

Essay

Iedereen beslist zelf welke taal hij gebruikt, daar hebben anderen niets over te zeggen. Of toch wel? Taalgebruik wordt immers voortdurend beoordeeld. De ene formulering wordt mooi, overtuigend of grappig gevonden, een andere grof, kwetsend of ongepast. Wie bepaalt die normen eigenlijk? Wie beslist wat wel en niet gezegd mag worden, wat goed, slecht of misplaatst taalgebruik is? Van wie is de taal? Die vraag onderzoekt het Taalmuseum in de eerste tentoonstelling.

Tien jaar geleden werd het voor iedereen mogelijk een Facebook- of Twitteraccount aan te maken. Destijds leverden sociale media vooral enthousiasme op, bijvoorbeeld bij politici en bedrijven die hierdoor in direct gesprek konden met hun kiezers of klanten. Inmiddels wordt regelmatig met zorg over sociale media gesproken, en dan vooral over het taalgebruik dat grof, beledigend en soms zelfs strafbaar zou zijn. Op internet past, net als in andere publieke ruimten, geen taal die al te ongepolijst, ondoordacht of komend vanuit de ‘onderbuik’ is. Tenminste, dat vinden veel Nederlanders. Anderen willen online kunnen zeggen wat ze denken, op de manier die ze zelf kiezen - waarom zou je immers niet alle mogelijkheden van de taal mogen benutten? Die opvattingen botsen regelmatig. En niet alleen online.

Netjes en fatsoenlijk

Is er wel zoiets als goede of slechte taal? Volgens taalkundigen is die taal correct die volgens de regels van grammatica, vervoegingen, spelling en interpunctie wordt gebruikt. Taal moet begrijpelijk en aanvaardbaar zijn. In het dagelijks leven heeft correct ook een andere betekenis, namelijk fatsoenlijk, degelijk, passend. Daarbij gaat het om sociale normen: binnen de enorme mogelijkheden die taalkundig correcte taal biedt, wordt lang niet al het taalgebruik hetzelfde gewaardeerd.

Die normen liggen nooit vast. Mag je werklozen ‘labbekakken’ noemen? Kan het woord mongool nog door de beugel? Is het grappig of kwetsend om aan een Aziatische deelnemer van een talentenjacht te vragen of hij ‘nummer 39 met rijst’ gaat zingen? De publieke figuren die hiermee in het nieuws kwamen, voelden zich vanwege de (inter)nationale ophef soms geroepen om excuses voor hun taalgebruik te maken of besloten het juist te verdedigen. Wat door sommigen als grappige of onschuldige taal wordt beoordeeld, kan voor anderen soms veel zwaarder wegen.

Taboetaal

Natuurlijk is er taalgebruik waarvan al lange tijd door een grote groep mensen wordt gevonden dat het taboe is. Vloeken is ongepast en over ziektes spreken we liever niet. Interessant is dat onze scheldwoordenschat in internationaal opzicht juist opvallend veel aandoeningen bevat. Net als elders leverden taboes rond seksualiteit ook in Nederland een eufemistische woordenschat op en zorgt taalgebruik over minderheden regelmatig voor ophef.

Ook religie ligt vaak gevoelig; het afgelopen decennium werden de woorden van meerdere islamcritici op de weegschalen van fatsoen en recht gelegd. Dat is niet nieuw. Het taalgebruik van regisseur en columnist Theo van Gogh over joden en moslims leidde herhaaldelijk tot rechtszaken, het woord ‘christenhond’ (schrijver Multatuli gebruikte het al in zijn boek Max Havelaar, 1860) zorgde in 1995 voor een proces en eerder veroorzaakte vooral onwelvoeglijk taalgebruik over katholieken relletjes. Wie echter in Nederland tegen ‘heilige’ huisjes aantrapt, wordt verketterd maar zelden veroordeeld: de grenzen van het debat worden volgens de rechter al tijden door de samenleving vastgesteld.

Taalautoriteiten

Rechters leggen zo nu en dan straffen op voor majesteitsschennis of verplichten tot rectificatie. Toch voelen ze doorgaans weinig voor de rol van taalpolitie - onfatsoenlijk taalgebruik is bijvoorbeeld zelden voldoende voor ontslag. Andere autoriteiten proberen taalgebruik wel te beïnvloeden. Zo maakte de KNVB in 2004 een lijst met uitingen die op en rond het voetbalveld verboden zijn: alle beledigende en discriminerende verwijzingen naar ziekten en geslachtsdelen, ras, geloof of bevolkingsgroepen, zoals Hamas, hoer, oerwoudgeluiden, geitengemekker en gesis. Omdat de meeste sporters en supporters echter menen dat sport emotie is en er dus meer ‘mag’ dan in een andere context, lijkt de taal van het voetbalveld nauwelijks beschaafder geworden. Sterker nog, juist hier worden de grenzen continu opgerekt. Voetballer Piet Romeijn werd in 1969 bestraft met een boete van 350 gulden omdat hij een scheidsrechter een ‘hondenlul’ had genoemd, in 2004 hield nota bene een scheidsrechter een pleidooi om dit woord niet op de lijst met verboden woorden te plaatsen omdat het onschuldig en ingeburgerd zou zijn.

Uiteraard zijn er ook echte taalautoriteiten als de wetenschap, het woordenboek en de Taalunie die verantwoordelijk is voor de spelling. Wetenschappers hebben echter zelden de ambitie om een norm vast te stellen of te handhaven. Zo worden ‘hun hebben’ en ‘groter als’ in overzichten van taalergernissen sinds jaar en dag aan de schandpaal genageld, maar interesseert het taalwetenschappers vooral waarom het dan zo vaak wordt gebruikt: omdat het ‘kunstmatige’ taalregels betreft die in de zeventiende eeuw werden bedacht en die, toen en nu, niet overal aansluiten bij de dagelijkse praktijk. De wetenschap bestudeert taal maar schrijft geen taalnormen voor.

Wie bepaalt dan wel wat de normen zijn? Misschien is de lastigheid wel dat het ons ontbreekt aan één autoriteit voor het hele Nederlandse taalgebied. Traditionele goede voorbeelden als het koningshuis en intellectuelen geven in respectievelijk Engeland en Frankrijk steeds minder de toon aan en deden dat in Nederland altijd al beperkt. Als het erom gaat welke taal goed, netjes, fatsoenlijk of mooi is, is Nederland eerder een lappendeken van groeperingen met eigen opvattingen en boegbeelden. Katholieken en protestanten hadden ooit ieder hun taal: kerstmis/kerstfeest, op/in de eerste plaats. Ook de adel ontwikkelde een eigen taalgebruik, met veel Franse invloeden en woorden als ‘ijskast’, ‘taartje’, ‘geestig’ en ‘vruchten’. Sociale positie en collectieve smaak zijn nog altijd belangrijke onderscheidingsmechanismen. Hoger opgeleiden gebruiken relatief veel woorden uit vreemde talen en doen hun mond gemiddeld verder open bij het spreken, wat de klank beïnvloedt. Iedere werkvloer heeft zijn ‘eigen’ taalgebruik, ieder collectief en individu zijn eigen rolmodellen.

Taalstrijd

Wat nu als die opvattingen botsen? Van wie is dan de taal? Tien jaar geleden besloot koekfabrikant Buys de productnaam Negerzoenen in de ban te doen en simpelweg Zoenen te gaan verkopen omdat het woord neger door steeds meer mensen als kwetsend en denigrerend werd ervaren. Kinderboeken worden herschreven en musea verwijderen woorden als neger, hottentot, wijf en kaffer van hun tekstbordjes en uit hun catalogi. Verdwijnt het daarmee ook uit de kroeg, uit columns of van weblogs? Niet iedereen wil zich ‘politiekcorrect’ uiten. En niet iedereen is bereid zijn taalgebruik te herzien om anderen te ontzien.

Dat er soms heftig wordt gestreden over hoe iets heet, is wel begrijpelijk. Het doet ertoe, zeker als het gaat om zwarte bladzijden of een intussen omstreden verleden. Hoe iets heet, bepaalt hoe we naar onszelf en naar onze voorouders kijken. Namen weerspiegelen erkenning of ontkenning. Politionele acties roepen een ander beeld op dan Koloniale oorlog, spreken we van slaven of van slaafgemaakten? Het is niet vanzelfsprekend wie het recht heeft te bepalen hoe we iets noemen: erfgenamen van slachtoffers of daders, betrokkenen, wetenschappers, belangengroepen of een meerderheid die gewend of gehecht is aan een naam? Actiegroepen zijn soms in staat een benaming te wijzigen, maar alleen als ze flinke publieke steun weten te mobiliseren. Bestuurders branden hun handen er liever niet aan, want het omarmen van taalgebruik heeft al snel politieke, financiële of juridische gevolgen. Zo wordt er wel met diepe spijt en berouw over het slavernijverleden gesproken, maar blijven officiële excuses uit.

Nederlandse bestuurders en politici zijn als het om taal gaat eerder volgend dan bepalend. Toen vanaf de jaren 1970 in veel landen gezocht werd naar taal die de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen tot uitdrukking bracht, kozen politici in Angelsaksische landen voor neutrale begrippen - bewindsman werd bewindspersoon - en besloten Duitse politici consequent vrouwelijke functietitels te gaan gebruiken, zoals Kanzlerin. In Nederland kwam het onderwerp ook op de politieke agenda, maar besloot de Tweede Kamer in 1983 dat het aan de samenleving was om een keuze te maken. Daardoor kan een directeur een man en vrouw zijn, maar kennen we ook het woord directrice.

Taal als instrument

Dat politici de taal liever overlaten aan de samenleving, wil niet zeggen dat ze er niet in geïnteresseerd zijn. Integendeel. In de politiek wordt voortdurend gestreden met en over taal. Wat daarbij wel en niet door de beugel kan, bepaalt ook hoeveel ruimte er is voor alternatieve geluiden. Zo klinkt de taal van demonstranten, underdogs, nieuwkomers of extremisten vaak anders dan die van de gevestigde orde – volgens de een radicaal of kritisch, volgens de ander niet-constructief en onfatsoenlijk. Moet in de politiek, waar het gaat over de botsing van belangen en ideologieën, alles gezegd kunnen worden? Of hebben politici een voorbeeldfunctie? De Nederlandse politieke cultuur biedt vooral ruimte aan constructieve stemmen, het woord parlementair is synoniem aan beleefd en beschaafd. Nederlandse politici die zich over de hoofden van hun collega’s tot hun achterban richten en daarbij harde taal gebruiken, staan snel buitenspel.

Voor politici is taal het belangrijkste instrument. Ze gebruiken taal om invloed uit te oefenen: om steun te verzamelen, tot een compromis te komen en dat te verkopen, iets te agenderen, speelruimte te behouden of anderen te overtuigen. Politieke taal heeft mede daardoor een slecht imago: vaag en wollig, berekenend, ruw en onfatsoenlijk of op de man of vrouw gespeeld. Een van de klachten over de politiek is dan ook dat het in toenemende mate een taalspel is, waarin media-aandacht, focusgroepen, framing en spinning van belang zijn en termen als ‘opbouwmissie’ en ‘krachtwijk’ nauwelijks nog naar een realiteit verwijzen.

Natuurlijk zijn politici niet de enigen die taal als instrument gebruiken. Marketeers zorgen ervoor dat consumenten door een andere bril kijken: de trein is sinds enkele jaren niet meer vertraagd maar vertrekt over enkele minuten. Is de taal daarmee vooral van de communicatieprofessionals, die hierin immers het meest bedreven zijn? Wellicht. Maar we worden niet alleen beïnvloed, iedereen oefent via taal ook zelf invloed uit. In ieder gesprek of geschrift is, door de keuze voor specifieke woorden en formuleringen, door intonatie of schrijfwijze, sprake van de sturende kracht van taal.

De taal is van iedereen?

De samenleving, sociale groepen, taalautoriteiten, communicatieprofessionals, politici, rechters en bestuurders: allemaal hebben ze iets over goede of correcte taal te zeggen, maar niemand heeft of eist het laatste woord. Wie of wat als autoriteit wordt gezien, verschilt sterk per groep, persoon en situatie. Het vereist een scherp kompas om voor iedere sociale omgeving aan te voelen wat bon ton is. De ene keer past zelfcensuur, in andere omgevingen is het van belang tegen politiekcorrect taalgebruik aan te durven schoppen – en soms botsen die twee, zoals op sociale media. Nederland is een meertalig land waarin iedere omgeving om ander taalgebruik vraagt: straattaal, jongerentaal, dialect, jargon, ‘fatsoenlijke’ taal of volkstaal, Nederlands, Fries of Papiaments, spreektaal of schrijftaal, de beknopte en directe taal van het internet of de beleidstaal van de overheid. Hoe meer registers iemand beheerst, hoe vrijer en zelfverzekerder hij door het leven kan bewegen.

Al die talen, normen en taalregisters die naast elkaar bestaan, dat gaat natuurlijk niet altijd goed. De sociale grenzen van taal worden continu overschreden en dat is maar goed ook. Daardoor wordt voortdurend opnieuw gedefinieerd wat goede en slechte taal is én hoeveel je je van die normen hoeft aan te trekken. Want waar de sociale grenzen ook liggen, ze vormen altijd een beperking van de oneindige mogelijkheden die taal biedt. Wie zich daarvan bewust is, kan zich conformeren, strijden voor verandering of misschien wel eigen taal ontwikkelen. Van wie is de taal? Dat bepaal je zelf.

Deze tekst lag ten grondslag aan de tentoonstelling Van wie is de taal? die vanaf 19 september 2016 tot 2 februari 2017 te zien was in het Stadhuis Leiden. Je kunt dit essay hier downloaden.