Schrift = emotie

Essay

In 2014 besloten zestien middelbare schoolleerlingen halsoverkop uit een op Schiphol gereedstaand vliegtuig te stappen en een nieuwe vlucht te boeken. De reden: een Iraanse masterstudent oefende aan boord zijn Engels en de vertalingen in Arabisch schrift joegen de jongeren de stuipen op het lijf. Schrift roept emoties op: van angst voor Arabisch tot de aantrekkingskracht van Chinese karakters en Indiase Devenagari-letters voor tatoeages. Waarom maakt schrift zo veel los?

Taal leren is eenvoudig: ieder kind kan het. Ouders reiken woordjes aan, de omgeving helpt een handje en na een paar jaar kan een kind zich behoorlijk verstaanbaar maken. Toch ploeteren we vaak jarenlang op school om correct te leren schrijven en maakt zelden iemand foutloos een dictee. Spreken is eenvoudig, schrijven en lezen zijn ingewikkelder. Zo’n twee miljoen laaggeletterde Nederlanders hebben daar moeite mee, terwijl ze zich mondeling prima kunnen redden.
 
Dat geschreven taal zo veel lastiger is dan het gesproken woord, ligt aan onszelf. We zijn gehecht aan de manier waarop we taal opschrijven, er is sprake van tradities. Dat die tradities praktische problemen met zich meebrengen, nemen we op de koop toe. Zo is ons alfabet nooit bedacht voor het Nederlands, waardoor een aantal klanken geen eigen letter hebben. Dit brengt vooral scholieren, analfabeten en immigranten tot wanhoop. Wanneer schrijf je een lange ij of korte ei? En waarom worden woorden die in klank hetzelfde klinken met ou of au geschreven? Schrijven is kortom geen kwestie van goed luisteren, maar gaat over regels en afspraken. Die verschillen per land en cultuur.

Mark Rutte heet de Indiase premier Modi welkom in Hindi, geschreven in Devenagari, tot onvrede van een volger op Twitter.


Alfabetstrijd

Geschreven taal is een van de oudste en meest zichtbare cultuuruitingen. Hoe je schrijft, toont bij welke cultuur je hoort én bij welke niet. Er is een aantal redenen waarom niet iedere taal een eigen schrift heeft ontwikkeld. Grotere culturele eenheden delen vaak één schriftsysteem. Zo delen de landen – waaronder Nederland - die ooit tot de Romeins-christelijke invloedssfeer behoorden het Latijnse schrift. Ze brachten dit schrift later naar hun kolonies. Soms leidde dat ertoe dat bestaande schriftsystemen werden verdrongen, zoals in Mexico en Viëtnam. Turkije koos in 1928 zelf voor het Latijnse schrift omdat president Atatürk het associeerde met moderniteit en vooruitgang. Het was een radicale keuze die ervoor zorgde dat oudere teksten door latere generaties niet meer gelezen konden worden, tenzij ze het Arabisch alfabet leerden beheersen. Overigens was het Arabisch schrift in de tiende eeuw in Turkije geïntroduceerd als een nieuwe manier om de daar gesproken taal op te schrijven.

De Turkse bevolking wordt via een overheidscampagne vertrouwd gemaakt met het Latijns schrift.

Al sinds de ontwikkeling van het schrift, zo’n vijfduizend jaar geleden, brengt een nieuwe heerser vaak een nieuw alfabet of schriftsysteem mee. Neem bijvoorbeeld het in Rusland en de Slavische wereld gangbare cyrillische alfabet, ooit ontworpen door missionarissen die het Grieks machtig waren en merkten dat het Griekse alfabet letters tekort kwam voor klanken die in Slavische talen voorkwamen. Het cyrillisch groeide uit tot beeldmerk van de Russische invloedssfeer én van het verval daarvan aan het eind van de twintigste eeuw. Veel voormalige Sovjetrepublieken die vanaf de jaren 1930 overgingen van het Arabisch op het cyrillisch alfabet onderzochten na de val van de Berlijnse muur de invoering van een ander schriftsysteem. Moldavië, Azerbeidzjan, Turkmenistan en Oezbekistan twijfelden of zijn sindsdien overgestapt op Latijns schrift, terwijl Kazachstan dit voorjaar academici aan het werk heeft gezet om een nieuw alfabet te ontwerpen, als onderdeel van een moderniseringcampagne die in 2025 moet zijn afgerond. Ook Mongolië, dat de voorbije eeuw in de Sovjetinvloedssfeer verkeerde, onderzoekt een terugkeer naar het Oeigoers alfabet, dat in het land evenwel nauwelijks nog wordt beheerst. Praktisch is zo’n overstap niet, maar de symbolische waarde is enorm.

Wie rondreist over de Balkan, komt ook daar het cyrillisch tegen. In Bosnië staan namen vaak in zowel het Latijn (schrift van Kroaten en Bosniakken) als cyrillisch (schrift van Serviërs) vermeld, terwijl ze allemaal vrijwel dezelfde taal spreken. Dat is niet uitzonderlijk: veel landen met een ander schrift dan het Latijnse gebruiken meerdere schriften in de bewegwijzering. Soms als koloniale erfenis, soms omdat er minderheden met andere schriften bestaan, soms uit toeristische motieven. Alleen in westerse landen gebeurt dit niet: daar heerst de opvatting dat anderen ons schrift maar moeten leren lezen. Met dezelfde vanzelfsprekendheid is het Latijns schrift op internet de norm. Zou dat zo blijven als de macht van China blijft groeien?
 
Overigens zijn schrift en groepsgevoel niet alleen rond etniciteit en nationaliteit met elkaar verbonden. In de Chinese provincie Jiangyong ontwikkelden vrouwen in de negentiende eeuw een eigen schrift waarmee ze konden communiceren zonder dat mannen meelazen. In principe kan iedereen natuurlijk een eigen schrift verzinnen, en kinderen doen dat ook regelmatig. Het is alleen lastig als niemand het kan lezen.

Twee keer Saudi-Arabië: verkeersborden bevatten doorgaans ook Latijns schrift, sommige iconen zijn zo herkenbaar dat dit niet nodig is.


Wie schrijft die blijft

Want daar gaat het uiteindelijk om: wie schrijft, kan gelezen worden. Verreweg de meeste talen in de wereld worden echter louter gesproken. Ook in die talen worden verhalen doorverteld en afspraken gemaakt. Een schrift is dus niet noodzakelijk, maar wel gemakkelijk, zeker in grotere gemeenschappen waarin men elkaar niet persoonlijk kent en over grotere afstand moet communiceren. Voor de erkenning van een taal is een schrift vaak van belang - nog altijd komen er daarom nieuwe schriften tot stand. Wie staatkundige onafhankelijkheid wil benadrukken, heeft met een schrift een krachtig symbool in handen.
 
Dat al die schriftsystemen er zo toe doen, heeft ongetwijfeld te maken met de kracht van schrift. Het biedt de mogelijkheid om gedachten te vangen en soms duizenden jaren te laten voortbestaan. Verba volant, scripta manent meenden de Romeinen - woorden vergaan, schrift blijft bestaan. Volgens een Chinees gezegde is de dunste inkt beter dan het beste geheugen. Toch zijn veel oude schriften erg moeilijk te ontcijferen. Dat lijkt wellicht tegenstrijdig, maar is het niet: zolang de mens schrijft, speelt de machtsvraag wie dat mag doen. In oude samenlevingen was schrijven vaak voorbehouden aan een kleine groep omdat schrift een sacrale dimensie had: het was een manier om met het hogere te communiceren. Eeuwenlang werden Chinese karakters enkel gebruikt om heilige rituelen vast te leggen, pas later ontstond er ook literatuur. De Egyptische hiërogliefen konden slechts door een kleine groep priesters worden gelezen en geschreven, het schriftsysteem werd daartoe zelf bewust complex gemaakt. Dit is niet iets van vervlogen tijden. Ook nu gelden restricties ten aanzien van schriftgebruik en de toegang ertoe. In sommige landen wordt kennis voor vrouwen bijvoorbeeld gevaarlijk gevonden en mogen ze daarom niet lezen en schrijven.
 
Oude schriftsystemen zijn ook moeilijk te ontcijferen omdat schrift zich, net als taal, voortdurend ontwikkelt. Vroege vormen, waarbij ieder woord een eigen beeld had, kregen langzaam een bredere betekenis: het beeld van de zon werd ook gebruikt voor warmte, overdag, licht en hitte. Deze tekens verloren vervolgens hun relatie met het afgebeelde. Ze werden langzaamaan gebruikt om klanken weer te geven. Zo ontstonden schriften waarbij ieder teken een lettergreep of, zoals in het geval van een alfabet, losse klinkers en medeklinkers verbeelden. De relatie tussen taal en tekening werd nu losgelaten. Dit gebeurde vrijwel overal, behalve in China: daar werd het pictografische systeem geperfectioneerd. Verreweg de meeste landen gebruiken intussen een alfabet, al zien de letters er vaak anders uit. 
 
Dat komt doordat gemeenschappen behoefte hebben aan een eigen beeldmerk. Hoe die er precies uitzien, heeft vaak een praktische reden. De Germaanse runen werden vooral op hout geschreven en hebben dan ook geen horizontale lijnen - de houtnerven maakten dat onmogelijk. Bij het spijkerschrift werd de rietstengel onder een hoek in de klei geduwd en ontbreken rondingen, op rollen papyrus was het vaak handiger om van boven naar beneden te schrijven en enkele Aziatische talen die ooit voornamelijk op palmbladeren werden geschreven, zoals die van Zuid-India, hebben juist schriften met veel rondingen.

Het Indiase biljet van 1 rupee bevat 15 talen in 11 schriften: Assamees en bengaals (bengaals schrift), Gujarati (eigen schrift), Kannada (eigen schrift), Kashmir en Urdu (Arabisch schrift), Malayalam (eigen schrift), Oriya (eigen schrift), Punjabi (Gurmukthi schrift), Tamil (eigen schrift), Telugu (eigen schrift),  Marathi, Sanskriet en Hindi (Devanagari schrift), Engels (Latijns schrift).


Schrift als verleider

Dat schriften overal ter wereld anders eruitzien, maakt ze ook aantrekkelijk. Talloze Europeanen lopen rond met getatoeëerde Chinese of Indiase karakters, veel Aziaten dragen T-shirts met willekeurige Engelse teksten. De visuele kracht van schrift beperkt zich niet tot fascinatie voor het exotische. Bedrijven ontdekten al lang geleden de verleidingskracht van letters. Letters in het straatbeeld trekken onze aandacht: het is haast onmogelijk om ze niet te lezen. Schrift verkoopt, of het nu gaat om neonreclame of chocoladeletters.

David Beckham heeft tatoeages in Chinees en Devanagari. 
 
Waarschijnlijk was schrift altijd al modegevoelig en zijn letters en tekens daarom regelmatig van vorm veranderd en geëvolueerd. Tegelijkertijd zijn er altijd voorschriften geweest. In de middeleeuwen gebruikten de weinige geletterden op hun perkamenten vellen bijvoorbeeld ofwel de boekletter (littera textualis), ofwel een letter voor administratieve zaken, ofwel een algemeen gebruiksschrift (littera currens). Toen in de late middeleeuwen een grotere groep leerde lezen en schrijven en perkament en papier voor velen binnen bereik kwamen, ontstonden er persoonlijke handschriften. Lang werden die gezien als afspiegeling van iemands karakter. Tot in de jaren 1950 was het niet ongebruikelijk dat bij een sollicitatie ook een handschriftanalyse plaatsvond. Er was dan ook veel aan gelegen om net te leren schrijven. Schoonschrijfonderwijs gaat al terug tot de zeventiende eeuw.
 
Net schrijven betekende lange tijd: alle letters aan elkaar schrijven. Ganzenveer, kroontjespen en vulpen werkten dan ook alle drie met vloeibare inkt, waarbij het de voorkeur had de pen zo weinig mogelijk van het papier te halen. Dit was ook wat docenten met krijt op het schoolbord demonstreerden: netjes binnen de lijntjes, in een vloeiende lijn. Nog altijd geldt een goed verbonden schrift als fraai want het komt het dichtst in de buurt bij wat schoonschrijvers doen. Maar het is niet hoe de meeste Nederlanders de pen hanteren, namelijk met balpen en losse letters en zelfs blokletters. Snelheid en functionaliteit lijken inmiddels belangrijker dan traditie en visuele eenheid - anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk, waar handschriften dankzij het onderwijs nog altijd sterk op elkaar lijken.


Leve de letters, maar blijven we schrijven?

Schrijven is in Nederland gedemocratiseerd: iedereen wordt van overheidswege gesteund om te leren lezen en schrijven. Maar wie schrijft er nog dagelijks met de hand? We schrijven misschien wel meer dan ooit, maar vooral via een toetsenbord. Dat jonge kinderen tegenwoordig soms eerder kunnen typen dan schrijven, leidt tot zorg bij wetenschappers. Het taalgevoel zou juist toenemen wanneer schrijven een fysieke handeling is. Scholen die een belangrijke plaats aan tablets en computers geven, roepen heftige emoties op, mede omdat ze ingaan tegen de wijsheid dat met de hand schrijven goed voor je is. 
 
Schrift is emotie, zoveel is duidelijk. De behoefte om taal in tekens te vangen, is al eeuwenoud en verdwijnt voorlopig niet. Hoe we dat doen, verandert wel. In tal van sectoren zijn we gestopt met onze handen te werken. Doen we dat ook met onze taal en communicatie? Spraaktechnologie is inmiddels zo ver dat het niet meer van de techniek afhangt, maar van onze behoeften. Die zijn tot dusverre tegenstrijdig gebleken: enerzijds willen we zo slim, simpel en handig mogelijk communiceren, anderzijds hechten we aan onze eigen manieren en tradities. Omdat schrift zo alomtegenwoordig is en zo’n krachtig beeldmerk vormt, woog de behoefte aan eigenheid de afgelopen eeuwen meestal zwaarder dan gemak. Maar blijft dat zo? Wellicht gaan we terug naar hoe we ooit begonnen: alleen datgene wat écht de moeite waard is, wordt met authentiek handwerk vastgelegd. Wat vind jij belangrijk genoeg om zelf op te blijven schrijven?